De vraag van... Henk Kesler, directeur betaald voetbal van de KNVB
Aan... Frank Backx, sportarts en hoogleraar klinische sportgeneeskunde
De vraag De aanleiding
Dr. Frank Backx is benoemd tot hoogleraar Klinische Sportgeneeskunde binnen de afdeling Revalidatie & Sportgeneeskunde van de Divisie Hersenen in het UMC Utrecht. De nieuwe hoogleraar werkt inmiddels vier jaar in het UMC Utrecht als sportarts. Daarnaast is hij medisch directeur van het Universitair Centrum Sportgeneeskunde (UCS). Dit centrum is vijf jaar geleden opgericht in samenwerking met het Sportmedisch Centrum van de KNVB en wordt financieel ondersteund door NOC*NSF en het ministerie van VWS.
De vraag
Beste Frank,
Op 6 december jl. hield jij je indrukwekkende oratie. Ik wil je langs deze weg nogmaals feliciteren met je prachtige leerstoel. Nu is mijn vraag aan jou op welke wijze jij denkt de komende jaren een bijdrage te kunnen leveren aan de sportgeneeskunde (voor zowel de topsport als de breedtesport) in Nederland.
Ik lees je antwoord met belangstelling op de site van Sport Knowhow XL!
Henk Kesler, directeur betaald voetbal van de KNVB
Het antwoord
Beste Henk,
Je stelt een boeiende vraag waar ik graag op reageer.
Laat ik
allereerst stellen dat de sportgeneeskunde, mede door jouw steun, aardig in de
lift zit. Als hoogleraar beschouw ik mijzelf als vertegenwoordiger van een
jonge, relatief onbekende discipline in de geneeskunde, welke een brug slaat
naar de (top)sport. De KNVB was ooit de eerste bond, die midden jaren zestig een
bondsarts aanstelde, waarna vele jaren later een enkele sportbond schoorvoetend
volgde. Sinds tien à twaalf jaar beseffen de meeste BetaaldVoetbalOrganisaties
(BVO's) dat een sportarts van grote waarde kan zijn in de begeleiding van
topvoetballers. Daarnaast hebben NOC*NSF en het ministerie van VWS
kwaliteitscriteria opgesteld zodat ook in andere sporttakken de
vertegenwoordigende nationale teams optimaal begeleid worden door
gespecialiseerde sportartsen en sportfysiotherapeuten. Voor de top van sportend
Nederland is het dus al redelijk goed geregeld. Maar voor de breedtesport is nog
veel winst te boeken op het gebied van preventie en vroegdiagnostiek. Hierbij
zijn sporters zelf belangrijk, maar evenzo trainers. De laatste groep dient via
bondsopleidingen adequaat geschoold en bijgeschoold te worden, zodat trainingen
en wedstrijden zo veilig en verantwoord mogelijk plaatsvinden.
Maar je vraag spitste zich toe op mijn bijdrage in de toekomst. Welnu, vanuit
mijn universitaire functie heb ik een drietal taakgebieden, namelijk
patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. T.a.v. patiëntenzorg
hebben wij mogelijkheden om complexe klachten van sporters (top en breedte!)
multidisciplinair aan te pakken en op te lossen. Dit genereert nieuwe kennis
welke we weer overdragen op jonge aankomende dokters en andere zorgverleners.
Op het terrein van het wetenschappelijk onderzoek voorzie ik dat het UMC
Utrecht - samen met partner Sportmedisch Centrum van de KNVB en met andere
universitaire onderzoeksgroepen - veel voorkomende sportblessures blijft
bestuderen met als doel te komen tot de meest effectieve behandelmethode.
Momenteel verrichten we onder meer onderzoeken naar chronische liesblessures en
naar enkelbraces. In de naaste toekomst willen we frequent optredende
overbelastingsletsels aan de hamstrings nader analyseren en aanpakken. Daarnaast
zijn we druk doende om personen met een chronische ziekte (bijv. na een
hersenbloeding, met schizofrenie en Parkinson) op maat gesneden beweeg- en
revalidatieprogramma's aan te bieden op weg naar sportactiviteiten. De
bevindingen die deze nieuwe studies gaan opleveren, moeten uiteraard verspreid
worden en indalen om aldus ter beschikking te komen van relevante sportgroepen.
Dit zullen we doen door middel van publicaties en voordrachten. Hierbij zullen
we gebruik maken van elektronische nieuwsbrieven (zoals Topzorg van de KNVB) en
internetsites.
Kortom, er is de komende jaren veel effort nodig om alle sportmedische knowhow bij de sporter te krijgen. Gelukkig sta ik er niet in mijn eentje voor. Zo’n honderd collega-sportartsen dragen in den lande hun steentje fors bij om sporters optimaal bij te staan. Ik zie mijzelf meer als een aanvoerder die - naast representatie - innovatie moet aanjagen en zijn team moet leiden naar grotere hoogte. Die uitdaging pak ik graag op, want sportgeneeskunde verdient het om nog steviger op de kaart gezet te worden.
Frank Backx,
sportarts en hoogleraar klinische sportgeneeskunde UMC
Utrecht
Volgende keer
de vraag van Frank Backx aan Peter Blangé, bondscoach
herenvolleybalteam
De aanleiding
Ik heb als
medisch begeleider van het Nederlands herenvolleybalteam in de periode 1984-1986
twee geweldige spelverdelers meegemaakt, te weten Avital Selinger en Peter
Blangé. Het verbaast me dus niets dat ze nu beiden succesvol zijn met het
huidige nationale dames- en herenteam. Het succes van Atlanta (goud op de
Olympische Spelen in 1996) werd gedeeltelijk toegeschreven aan het feit dat
Nederland beschikte over een basisteam, waarvan iedereen langer was dan 2 meter,
hetgeen ten koste ging van een basisplaats voor Avital.
Nederlanders behoren
met de Noren tot het gemiddeld langste volk ter wereld. Momenteel beschikt zowel
het Nederlands dames- als herenteam over een paar uitschieters qua lengte. Maar
ook buitenlandse naties kunnen grote 'lantaarnpalen' selecteren.
De vraag
Beste Peter,
Jij bewijst met je aanpak dat trainingsomvang en – inhoud (techniek; tactiek) essentieel zijn om succes te boeken, maar hoe belangrijk is de factor lichaamslengte in het hedendaagse volleybal? Betekent dat ook dat een goed jeugd- en selectiebeleid van de NeVoBo (o.a. op lengte) ervoor moet kunnen zorgen dat we ons langdurig in de mondiale top handhaven?
Ik ben benieuwd naar je antwoord.
Met sportieve groet,
Frank Backx,
hoogleraar klinische sportgeneeskunde UMC Utrecht
Er zijn 0 reactie(s)
<< terug
Tweet
